Text version
Pneumonie: een onderbelicht bijwerkingsprofiel van antipsychotica
Pneumonie is waarschijnlijk niet de eerste bijwerking die bij de meeste clinici opkomt bij het voorschrijven van antipsychotica. Veelal staat de aandacht gericht op een breed scala aan andere bijwerkingen, zoals gewichtstoename, metabole effecten, hyperprolactinemie, extrapiramidale symptomen, QT-verlenging, neuroleptisch maligne syndroom en plotse dood bij oudere patiënten.
Nietttemin blijkt pneumonie een significant risico te vormen bij patiënten die een breed spectrum aan antipsychotica gebruiken, met name bij middelen met een hoge anticholinerge belasting, en dit risico lijkt dosisafhankelijk te zijn.
Studie onderzoekt pneumonierisico bij schizofrenie
Deze studie maakte gebruik van gegevens uit het Finse zorgregister, met inbegrip van patiënten van 16 jaar en ouder met een diagnose van schizofrenie of schizoaffectieve stoornis. Gedurende de studieperiode werden bijna 9.000 patiënten meer dan 15.000 keer opgenomen in het ziekenhuis wegens pneumonie. Opvallend is dat ongeveer 13% van de gehospitaliseerde patiënten binnen 30 dagen overleed.
Download PDF and other files
Risicofactoren: leeftijd, geslacht en antipsychotica
Het risico op pneumonie verdubbelde nagenoeg elke vijf jaar vanaf de leeftijd van 50 jaar. Het risico was significant hoger bij mannen, met name boven de 40 jaar. Een van de meer onverwachte bevindingen was dat antipsychotische polytherapie niet geassocieerd was met een verhoogd pneumonierisico ten opzichte van geen antipsychoticagebruik. Antipsychotische monotherapie daarentegen wél, en dit op een dosisafhankelijke wijze.
Hoog-risicomiddelen: quetiapine, clozapine en olanzapine
Bij analyse van specifieke middelen was het pneumonierisico het hoogst bij:
- quetiapine bij doses hoger dan 440 mg
- clozapine bij doses hoger dan 180 mg
- olanzapine bij doses hoger dan 11 mg per dag
De auteurs wijzen erop dat deze middelen alle een hoge anticholinerge belasting hebben. Geen van de klassieke antipsychotica (eerste generatie) was geassocieerd met een verhoogd risico.
Anticholinerge effecten als drijvende kracht achter het pneumonierisico
De bevindingen van deze studie maken duidelijk dat de anticholinerge eigenschappen van antipsychotica het pneumonierisico verhogen via oesofageale dysmotiliteit en dilatatie, alsook via sedatie.
De auteurs merken op dat middelen met anticholinerge effecten doorgaans ook antihistaminerge eigenschappen hebben, waardoor het onduidelijk blijft of antihistaminerge effecten — zoals bijkomende sedatie — een aanvullende bijdrage leveren aan het verhoogde risico.
Download PDF and other files
Monotherapie versus polytherapie: verrassende bevindingen
Uit verdere analyse bleek dat hoge-dosis monotherapie — maar niet lage- of middeldosis monotherapie — geassocieerd was met een verhoogd risico.
Daartegenover stond dat polytherapie niet geassocieerd was met een verhoogd risico, ongeacht de totale dosisbelasting. Deze bevindingen lijken op het eerste gezicht opmerkelijk en enigszins contraintuïtief. De auteurs veronderstellen echter dat hoge-dosis monotherapie leidt tot saturatie van specifieke receptoren — in dit geval cholinerge receptoren — terwijl polytherapie vermoedelijk meerdere verschillende receptorsystemen beïnvloedt zonder saturatie te bereiken bij een specifieke receptorgroep, wat mogelijk een lager pneumonierisico met zich meebrengt.
Implicaties voor de klinische praktijk
Wat betekenen deze bevindingen voor de dagelijkse praktijk?
Het lijkt zeker zinvol om bij oudere patiënten — met name mannen — die hogere doses gebruiken van een van de drie meest geïmpliceerde middelen (quetiapine, clozapine of olanzapine) nauwlettender te monitoren op pneumonierisico.
De auteurs suggereren dat het op zijn minst redelijk is om patiënten actief te bevragen over slikproblemen en eventueel een rudimentaire beoordeling hiervan te verrichten tijdens het consult.
Bij patiënten die een hoog-risicoregime volgen en toch pneumonie ontwikkelen, kan het overwegen van een alternatief behandelschema gerechtvaardigd zijn.
Een reflexmatige stopzetting van medicatie die therapeutisch effectief is gebleken in de context van een ongewenste gebeurtenis is echter niet aangewezen.
Een zorgvuldige afweging van de risico’s, voordelen en alternatieven — in overleg met de patiënt en diens naasten — verdient de voorkeur als meer prudente benadering.
